Handhaving informatie, voor alle handhavers in de praktijk!

Interessante uitspraken

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

  1. hij op of omstreeks 01 december 2013 te ‘s-Gravenhage [benadeelde partij 1] (zijnde een politieambtenaar) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend in de richting van die [benadeelde partij 1] met duim en/of wijsvinger een beweging gemaakt lijkend op een schietgebaar en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd: “Ik ga hem schieten als ik vrij ben.”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

  2. hij op of omstreeks 01 december 2013 te ‘s-Gravenhage opzettelijk beledigend (een) ambtena(a)r(en), te weten [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2], gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening (te weten als politieambtenaar van Politie Haaglanden) in diens/dier tegenwoordigheid meermalen, althans eenmaal, mondeling heeft toegevoegd de woorden “kankerlijer”, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

    De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep, net als in eerste aanleg, bepleit dat de aanhouding van de verdachte voor het niet tonen van een legitimatiebewijs onrechtmatig is geweest, omdat er alleen naar het legitimatiebewijs is gevraagd en er geen inzage van het legitimatiebewijs is gevorderd zoals de wet voorschrijft. Dit dient tot vrijspraak te leiden, aldus de raadsman. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. In het proces-verbaal van aanhouding van de politie Haaglanden met nummer PL1531-2013234088-2 staat met betrekking tot de aanhouding van de verdachte voor zover relevant het volgende gerelateerd: “ Ik, verbalisant, liep naar de man toe. Ik zag dat de man nog steeds op de grond lag en niet reageerde op ons aanroepen. Ik heb de man gevraagd of hij zich kon legitimeren. Ik zag dat de man daar niet op reageerde. Hierop hebben wij de man ter zake het niet tonen van een legitimatiebewijs aangehouden. ” Ingevolge artikel 2 Wet op de Identificatieplicht was de verdachte verplicht op de eerste vordering van de verbalisant, een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden. Naar het oordeel van het hof dient uit genoemd proces-verbaal te blijken dat een vordering als bedoeld in genoemd wettelijk voorschrift heeft plaatsgevonden. Nu het proces-verbaal van aanhouding slechts inhoudt dat aan de verdachte is gevraagd of hij zich kon legitimeren, blijkt niet dat een dergelijke vordering is gedaan. Ten tijde van de aanhouding ontbrak daarom een redelijk vermoeden van schuld ter zake een overtreding van artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht. Het hof is dan ook van oordeel dat de aanhouding van de verdachte onrechtmatig is geweest. Het vorenstaande maakt dat niet kan worden bewezen dat de politieambtenaren zich ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde in de rechtmatige uitoefening van hun bediening bevonden. De verdachte dient van dat onderdeel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken. Dit leidt niet tot vrijspraak van de verdachte, nu vervolgens het impliciet subsidiair tenlastegelegde gronddelict van artikel 266, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht aan de orde is. Vervolging van dit delict vindt alleen op klacht plaats. In het dossier bevinden zich geen klachten van de betreffende politieambtenaren. Het hof acht het openbaar ministerie desalniettemin ontvankelijk in de vervolging nu uit de aangiftes van de politieambtenaren blijkt dat zij ten tijde van het doen van aangifte onmiskenbaar de bedoeling hadden dat vervolging zou worden ingesteld jegens de verdachte.